Maastunnel: Geschiedenis Maastunnel - 1920 - brug of tunnel

Geschiedenis Maastunnel: brug of tunnel?

Pas in 1898 reed de eerste auto over de Rotterdamse klinkerstraten, maar vooral na de Eerste Wereldoorlog groeide het autoverkeer hier zo hard dat de Willemsbrug, die bijna de helft van de tijd voor de scheepvaart open moest, een grote belemmering werd. Er moest dringend een nieuwe oeververbinding komen.

Brug te ver

In 1910 vond de toenmalige directeur Gemeentewerken GJ de Jong nog dat wat extra veerboten wel voldoende moest zijn, maar tien jaar later kwam zijn opvolger Burgdorffer al met een heel ambitieus plan voor een nieuwe veel hogere Willemsbrug. Voor de enorme opritten die daarvoor nodig waren moest echter een flink deel van de oude binnenstad gesloopt moeten worden. Dat stuitte op veel weerstand. Bovendien voorzag hij dat er in de nabije toekomst behoefte zou zijn aan een nieuwe brug ten westen van de binnenstad. Die brug zou dan wel zeker 60 meter hoog moeten zijn om niet om de haverklap open te moeten voor het scheepvaartverkeer. Dat was echt nog een brug te ver.

Nieuwe inzichten

Ondertussen waren er in het buitenland al een paar tunnels gegraven, in Engeland, Duitsland en ook in de Verenigde staten. Dat bood perspectief. Een studiereis in 1929 naar Amerika leverde zelfs het inzicht op dat een tunnel misschien wel eens goedkoper zou kunnen zijn dan een hoge brug. Dat idee werd door de Gemeentewerken Rotterdam verder uitgewerkt en zo is men tot het ontwerp voor de Maastunnel gekomen. Het werd een volledig nieuw ontwerp, geschikt voor de slappe ondergrond in Rotterdam.

In rondjes draaien

Rijkswaterstaat had echter grote twijfels, niet alleen over de technische haalbaarheid maar ook over de kosten. Ir. van Emmen, een Rotterdamse hoofdingenieur bij Rijkswaterstaat, ontwierp een 60 meter hoge hangbrug die volgens hem veel goedkoper was om te bouwen dan een tunnel. De opritten konden heel compact ingebouwd worden in enorme schroeftorens, waarin de auto's eerst vier rondjes moesten draaien voor ze boven waren. Rijkswaterstaat zou een groot deel van de kosten voor de nieuwe oeververbinding betalen, dus moest dat plan serieus bekeken worden.

Drie varianten

Besloten werd dat bij de aanbesteding van de oeververbinding de aannemers een prijs moesten aanbieden voor drie varianten. Een kleine tunnel met alleen twee autobuizen, een grote tunnel met daarbij ook nog een fiets- en voetgangerstunnel, en een prijs voor het brugontwerp van ir. van Emmen.

Logische keuze

Tot grote verbazing van Rijkswaterstaat, maar tot groot geluk van Rotterdam, bleken de drie prijzen zo dicht bij elkaar te liggen dat de keuze voor de duurste oplossing, het grote tunnelplan, de meest logische keuze was. Uiteindelijk heeft de Maastunnel 18 miljoen guldens gekost.